In het kort
Het hypocentrum (of focus) is de plek onder de grond waar de breuk begint te schuiven. Het epicentrum is het punt aan het aardoppervlak recht daarboven. De afstand tussen beide is de diepte. Hoe ondieper het hypocentrum, hoe sterker de trillingen aan het oppervlak — daarom richten de extreem ondiepe Groningse bevingen op ongeveer 3 km schade aan ondanks hun lage magnitude. Let op: het epicentrum zelf ligt altijd aan het oppervlak; het is de diepte van het hypocentrum die ertoe doet.
Het verschil tussen hypocentrum en epicentrum
Een aardbeving ontstaat niet op het aardoppervlak, maar in het gesteente eronder. Op de plek waar twee blokken gesteente langs een breuk plotseling verschuiven, begint de spanning te ontladen. Dat startpunt heet het hypocentrum, ook wel de focus of haard genoemd. Het ligt altijd op een bepaalde diepte onder de grond — van enkele kilometers tot honderden kilometers diep.
Het epicentrum is iets heel anders: het is het punt aan het aardoppervlak dat zich loodrecht boven het hypocentrum bevindt. Laat je vanaf het epicentrum een schietlood recht naar beneden zakken, dan kom je precies bij het hypocentrum uit. Wanneer het nieuws meldt dat het epicentrum "bij Zeerijp" lag, gaat het over die projectie aan de oppervlakte — niet over de werkelijke plek waar het gesteente brak.
De rechte lijn tussen het epicentrum en het hypocentrum is de diepte (focal depth) van de beving. Die diepte is geen detail: ze bepaalt mede hoe sterk de grond beweegt op de plekken waar mensen wonen. Hoe een beving precies ontstaat lees je op de pagina wat is een aardbeving.
De namen zijn Grieks: hypo betekent ‘onder’ en epi ‘op’ of ‘boven’. Het epicentrum is dus letterlijk het punt boven het centrum. In het Engels heten ze hypocenter en epicenter. Buiten de seismologie gebruikt men ‘epicentrum’ ook figuurlijk, voor het middelpunt of de brandhaard van iets.
Waarom de diepte ertoe doet
Vanuit het hypocentrum verplaatst de vrijgekomen energie zich in alle richtingen als seismische golven. Net als geluid of licht worden die golven zwakker naarmate ze verder reizen. Een ondiepe beving heeft maar een korte weg naar de bewoonde wereld af te leggen, dus komt er relatief veel energie aan de oppervlakte aan. Bij een diepe beving is de energie onderweg al sterk afgenomen voordat ze het maaiveld bereikt.
Daarom kan een diepe beving met een hoge magnitude in de verte nauwelijks gevoeld worden, terwijl een ondiepe beving met een veel lagere magnitude duidelijk merkbaar is en zelfs scheuren in muren kan veroorzaken. Magnitude meet de energie bij de bron; de diepte bepaalt mede hoeveel daarvan boven de grond overblijft. Voor wat mensen werkelijk voelen gebruikt men daarom de intensiteit, uitgelegd op de pagina over de Mercalli-schaal.
Waar of niet waar: ‘hoe dichter het epicentrum aan het oppervlak, hoe zwaarder de beving’?
Niet waar, zoals het er staat. Het epicentrum ligt per definitie aan het aardoppervlak; het kan dus niet ‘dichter bij het oppervlak’ liggen. De stelling haalt epicentrum en hypocentrum door elkaar. Wat bedoeld wordt, klopt wel voor het hypocentrum: hoe ondieper het hypocentrum, hoe sterker het schudden aan het oppervlak boven de bron, omdat de golven minder ver hoeven te reizen.
Twee kanttekeningen. Ten eerste verandert de magnitude niet door de diepte: die meet de energie die bij de bron vrijkomt, en een beving van magnitude 5 blijft magnitude 5, op 3 km of op 300 km diepte. Wat verandert, is de intensiteit: hoe hard de grond op een bepaalde plek schudt. Ten tweede is een ondiepe beving vooral heftiger dichtbij het epicentrum; een diepe beving wordt zwakker maar vaak over een groter gebied gevoeld. De juiste formulering is dus: ‘hoe ondieper het hypocentrum, hoe sterker de trillingen rond het epicentrum’.
De drie dieptecategorieën
Seismologen delen aardbevingen in op basis van de diepte van het hypocentrum. Het USGS hanteert drie hoofdcategorieën. De meeste bevingen die mensen voelen zijn ondiep; de diepste bevingen komen voor in subductiezones, waar een aardplaat onder een andere wegduikt.
| Categorie | Diepte hypocentrum | Kenmerk |
|---|---|---|
| Ondiep | < 70 km | Verreweg het meest voorkomend; veroorzaakt de meeste schade aan het oppervlak. |
| Middeldiep | 70–300 km | Vaak in subductiezones; aan het oppervlak meestal minder hevig dan ondiepe bevingen. |
| Diep | > 300 km | Zeldzaam; tot zo'n 700 km diepte gemeten. Zelden ernstige schade aan de oppervlakte. |
Waarom ondiepe bevingen in Groningen harder aankomen
De Groningse bevingen zijn een schoolvoorbeeld van het diepte-effect. Ze ontstaan op ongeveer 3 km diepte, op het niveau van de uitgeputte gaslaag waar het gesteente inklinkt en langs bestaande breuken verschuift. Dat is extreem ondiep — vele malen ondieper dan de meeste natuurlijke tektonische bevingen, die vaak op 10 tot 17 km of dieper plaatsvinden.
Door die geringe diepte hoeven de seismische golven maar een korte afstand af te leggen voordat ze huizen bereiken. Het gevolg: een Groningse beving met een bescheiden magnitude veroorzaakt aan het oppervlak relatief grote effecten. De zwaarste, bij Huizinge op 16 augustus 2012, had een magnitude van 3,6 — laag op een wereldwijde schaal, maar genoeg voor wijdverbreide schade aan woningen. Meer over de oorzaak en de gevolgen lees je op de pagina over Groningen en de gaswinning.
Hoe men bepaalt waar een aardbeving precies was
De diepte van een beving wordt niet direct gemeten, maar berekend uit de aankomsttijden van de seismische golven bij meetstations. Een beving zendt twee belangrijke golftypen uit: de snelle P-golf en de tragere S-golf. Hoe verder een station van het hypocentrum staat, hoe groter het tijdsverschil tussen de aankomst van beide golven.
Door de aankomsttijden bij meerdere stations te combineren, kan een seismoloog niet alleen de horizontale ligging van het epicentrum vaststellen, maar ook de diepte van het hypocentrum. Hoe meer stations en hoe dichterbij ze staan, hoe nauwkeuriger de uitkomst. In Groningen heeft het KNMI daarom een dicht netwerk van meetstations geplaatst, inclusief seismometers in boorgaten, om de ondiepe bevingen nauwkeurig te lokaliseren.
Elke locatie is een berekening en heeft dus een onzekerheidsmarge. Kort na een beving publiceert een meetdienst een eerste, automatische locatie; na controle door een seismoloog kan die nog iets verschuiven. De diepte is doorgaans lastiger nauwkeurig te bepalen dan de ligging van het epicentrum. Voor bevingen in Nederland is het KNMI de officiële bron; lees op de pagina over het KNMI hoe het instituut meet en publiceert. Recente bevingen met hun epicentrum, diepte en magnitude bekijk je op de live aardbevingenkaart.
Veelgemaakte misvattingen
"Het epicentrum is de plek waar de beving ontstaat"
Nee. De beving ontstaat in het hypocentrum, onder de grond. Het epicentrum is alleen het punt aan de oppervlakte recht erboven — handig voor op de kaart, maar niet de werkelijke bron.
"Een hogere magnitude betekent altijd zwaardere schade"
Niet per se. Een diepe beving met hoge magnitude kan aan het oppervlak milder aankomen dan een ondiepe beving met lagere magnitude. Diepte en ondergrond bepalen mede de schade — zoals Groningen laat zien.
"De schade is altijd het ergst recht onder het epicentrum"
Meestal is dat het geval, maar niet altijd. Bodemsoort, de richting waarin de breuk scheurt en lokale geologie kunnen de zwaarste trillingen verschuiven naar plekken naast het epicentrum.
Veelgestelde vragen
Wat is een epicentrum?
Het epicentrum is het punt aan het aardoppervlak dat recht boven de plek ligt waar een aardbeving onder de grond begint. Het is de plek die op kaarten en in het nieuws als locatie van de beving wordt genoemd.
Wat is een hypocentrum?
Het hypocentrum, ook wel focus of haard genoemd, is het punt onder de grond waar de breuk begint te schuiven en de aardbeving dus werkelijk ontstaat. Het ligt op enkele tot honderden kilometers diepte.
Wat is het verschil tussen hypocentrum en epicentrum?
Het hypocentrum ligt onder de grond en is de echte bron van de beving; het epicentrum ligt aan het oppervlak, recht erboven. De afstand tussen beide is de diepte van de beving.
Waar of niet waar: hoe dichter het epicentrum aan het oppervlak zit, hoe zwaarder de aardbeving?
Niet waar zoals het er staat. Het epicentrum ligt per definitie aan het aardoppervlak. Wat wel klopt: hoe ondieper het hypocentrum, hoe sterker het schudden aan het oppervlak boven de bron. De magnitude, de hoeveelheid vrijgekomen energie, verandert daar niet door.
Wat betekent het woord epicentrum?
Epicentrum komt van het Griekse epi, dat op of boven betekent: het punt boven het centrum. Hypo betekent onder. Figuurlijk wordt epicentrum ook gebruikt voor het middelpunt of de brandhaard van iets.
Hoe weet men waar een aardbeving precies was?
Meetstations registreren wanneer de P- en S-golven aankomen. Uit die aankomsttijden bij minstens drie stations berekent een seismologische dienst zoals het KNMI de plaats van het epicentrum, de diepte en de magnitude. Er blijft altijd een kleine onzekerheid, die kleiner is naarmate er meer stations dichtbij staan.
Is een subcentrum hetzelfde als een hypocentrum?
Het woord subcentrum is geen gangbare vakterm in de seismologie. Meestal wordt het hypocentrum bedoeld: het punt onder de grond waar de beving begint, recht onder het epicentrum.
Verder lezen
Wil je weten hoe de energie zich vanuit het hypocentrum verplaatst en waarom de P-golf eerder aankomt dan de S-golf? Lees dan verder over seismische golven. Voor het verschil tussen wat een beving aan energie bevat en wat mensen ervan voelen, helpt de pagina over de Mercalli-schaal. Hoe magnitude wordt berekend, staat bij de schaal van Richter en de momentmagnitude; vaktermen vind je in de woordenlijst.
Bronnen
- USGS (2024), "Earthquake Hazards — Determining the Depth of an Earthquake", earthquake.usgs.gov.
- KNMI (2024), "Aardbevingen in Nederland — meten en lokaliseren", knmi.nl.